Historie

Middeleeuwen

In de twaalfde eeuw (1114 – 1126) heerste in Utrecht bisschop Godewald. Hij gaf zijn monniken uit de abdij Oostbroek opdracht het moeras ten oosten van de stad Utrecht te ontginnen. Door het water beheersbaar te maken werd het geschikt voor landbouw en veeteelt. Eerst werden er dijken aangelegd, onder meer bij Wijk bij Duurstede en Utrecht. De laatst bekende dijk is de Ezelsdijk, die in de zeventiger jaren is vervangen door wat nu de Huizingalaan is. Het bronzen beeld van de twee ezels op de hoek van de Jan van Galenstraat en de Kardinaal de Jongweg herinnert nog aan deze dijk. Na de aanleg van deze dijken werden er vele sloten gegraven, evenwijdig aan elkaar en min of meer loodrecht op voornoemde dijken. Dit patroon is nog steeds vanuit de lucht op sommige plaatsen goed te zien. In het park is het wilgenveld er ook een rest van. Tegelijk met de ontginning breidde de bebouwing zich uit buiten de stadsmuren langs de Biltstraat naar het oosten. Daaruit groeide de voorstad Wittevrouwen. Zij had een eigen buitenpoort, de Gildpoort, ter hoogte van de Museumbrug. De polders ten noordoosten van de stad (de driehoek die nu gevormd wordt door de Bilt, Groenekan en Utrecht) behoorden tot het dorp Voordorp: de Voordorpse landen en later de Voordorpse Polder.

Negentiende eeuw

Een heel belangrijke stap in de geschiedenis van het park is de aanleg van de Nieuwe Hollandse waterlinie. De Hollandse waterlinie bestaat al sinds de 17de eeuw en liep oorspronkelijk van de Zuiderzee tot aan de Lek. Door land onder water te zetten kon het Westen van het land worden verdedigd, bijvoorbeeld tegen de Fransen onder aanvoering van Lodewijk XIV. Nu zijn vooral de forten nog over, ondermeer fort De Bilt en Blauwkapel, die op strategische punten in de linie werden gebouwd. Het fort De Bilt (1816-1819) moest de oostelijke toegangsweg naar Utrecht blokkeren en verrees daarom midden op de Biltse straatweg. Pas in 1930 werd de oude situatie hersteld. Sindsdien zijn er twee halve forten, gescheiden door de Biltse straatweg. Het noordelijk deel is tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter gebruikt om verzetsstrijders te fusilleren. Een monument en een jaarlijkse herdenking herinneren daaraan.

Twintigste eeuw

Voor de forten was een vrij schootveld vereist. Daarom mocht in hun buurt niet in steen worden gebouwd. De vier houten huizen langs de Biltsestraatweg (o.a. nrs. 102 en 108) zijn het gevolg van deze maatregel die pas in 1947 is opgeheven. Een ander voorbeeld is theehuis Rhijnauwen.   Sindsdien is het traditionele beeld van de Voorveldse polder als een weidegebied met hier en daar een militair fort, snel veranderd. Eind 19de eeuw wordt de naam Voordorpse polder door het verdwijnen van het dorp al vervangen door Voorveldse polder.  Na 1947 rukte de stad verder op met woonwijken als Tuindorp-Oost en Voordorp en grote wegen als Sartreweg, de Biltse Rading en de A 27 werden aangelegd. In het vierkant dat deze wegen samen met de Biltsestraatweg vormen ligt het park. De eerste tennisbanen met houten theehuis werden in 1921 gerealiseerd op een stukje grond tussen de Ezelsdijk en de Willem Barentzstraat. De MIT (Match- Ice-Tennis) tennisbanen. Die maakten in de jaren zeventig geleidelijk plaats voor een bowlingbaan en hotel Mitland. In diezelfde tijd werd het gebied ingericht als een recreatiepark. Het bood tussen zijn waterlopen en groen plaats aan twee maneges, een voetbalclub (Voorwaarts) een camping (voorheen Camping Berekuil, nu Budgetcamping) en een tennisvereniging (ULTC Iduna). Het tegen de camping gelegen meertje is uitgediept door afgraving van de grond ten behoeve van de A 27. Later is puin van de Jaarbeurs (de oude Bernhardhal) erin gestort zodat ook op de bodem nog enige historie van de stad is terug te vinden. Van de oorspronkelijke Voorveldse polder is in feite alleen het zogenaamde wilgenveldje overgebleven.

Op deze link vind u een presentatie met historische foto’s